Antje van de Statie

Antje van de Statie

Het is 11 januari 1927. De gure wind waait over het perron. Het is de hele winter al ijskoud en de vijftigjarige Maria staat rillend van de kou te wachten op de eerstvolgende trein. Maria, beter bekend als Antje, werkte vroeger voor madame Egmonds, een klein, tenger vrouwtje van achter in de 70. Madame Egmonds was de eigenares van de stationsrestauratie en verkocht allerlei lekkers aan de wachtende reizigers. Het was geen vetpot, maar ze kon er mee rondkomen en dat wass voor haar voldoende. Na haar dood in 1911 heeft Antje de restauratie overgenomen en maakte ze al snel de overstap naar het nieuwe stationsgebouw.

Antje werkt elke dag van s’ochtends vroeg tot s’avonds laat als vlaaienverkoopster op het station. Zo nu en dan komt er een heer of dame een vlaatje halen. Zo ook Anton Maes, een simpele koopman uit Roermond. Elke woensdagochtend staat hij te wachten op de trein naar het noorden. Stiekem kijkt hij om zich heen om een glimp op te vangen van de sympathieke verkoopster uit Weert. De kleine vlaaitjes van het vrouw-tje zijn te lekker om te laten liggen. Geld heeft hij er niet voor, maar toch kan hij het soms niet laten een lekkernij te kopen.

Als hij Antje ziet, loopt hij erop af. Zo te zien is hij de enige op het perron, maar ze heeft hem niet gezien. Antje loopt terug naar haar keukentje om de haar wereldberoemde Weerter vlaaitjes uit de oven te halen. Anton volgt haar en komt terecht in een klein keukentje met een oude oven. Antje haalt de vlaaitjes uit de oven. Als ze zich omdraait slaakt ze van schrik een kreet en vliegen de verse vlaaitjes door de lucht. “Aaaaahh”, klinkt het. Anton schrikt ook. Deze reactie had hij niet verwacht.

“Euh… het spijt me.. Uhm…”, stamelt hij. Antje herkent de stem en is zichtbaar opgelucht. “Pfff… Oh dat geeft niets Anton, ik wist niet dat jij het was. Je was zo onherkenbaar.” Anton neemt zijn hoed af en een staat wat klungelig in de deuropening.” Jee.. oh ehm, wat kan ik doen om het goed te maken?” Antje zit gehurkt op de grond en kijkt beduusd naar de verkruimelde vlaaitjes 16

op de grond. “Als jij nou eens een handveger ging halen, dan kijk ik of ik nog wat goeds tussen deze kruimels kan vinden.”, zegt Antje met een fonkeling in haar ogen. Anton kijkt haastig om zich heen op zoek naar het ijzeren blik. Antje wijst naar een kastje in de hoek en Anton begint als een bezetene te vegen.

Antje vind het toch wel een beetje zielig voor Anton. Hij is pas net dertig, denkt ze. “Het maakt niet uit jongen, ik ruim het straks wel op. Waarvoor was je hierheen gekomen?” Voorzichtig kijkt Anton omhoog: “Ik zou graag een vlaaitje willen kopen, mevrouw.” Met een snelle glimlach verbreekt Antje het oogcontact. “Welke smaak wil je hebben?“, vraagt Antje.

Anton is zo onder de indruk van de situatie die zich net in het kleine keukentje heeft afgespeeld dat hij zichzelf erop betrapt dat hij Antje met open mond heeft staan aanstaren. “Euh, ikke… doe maar abrikozen.”, stamelt hij.

Dan klinkt plots op het perron een fluitje. Anton schrikt en rent naar buiten. Door de hele situatie heeft hij de trein niet horen aankomen. Antje rent, met de vlaai van Anton, achter hem aan. “Je vergeet de vlaai!“. Arme Anton kijkt om, vergeet door te rennen en struikelt. Zijn koffertje schiet open en tientallen papieren vliegen in het rond. Anton mist zijn trein, maar gelukkig is zijn vlaai nog heel…

antje-boek